Korte samenvatting
Bestuurders hebben een belangrijke verantwoordelijkheid tegenover de rechtspersoon die zij besturen. Die verantwoordelijkheid gaat verder dan het nemen van strategische beslissingen. Van een bestuurder wordt verwacht dat hij zijn opdracht zorgvuldig, loyaal en met de nodige aandacht voor de belangen van de rechtspersoon vervult. Wanneer een bestuurder fouten maakt in de uitoefening van zijn opdracht, kan onder bepaalde voorwaarden persoonlijke aansprakelijkheid ontstaan.
Het Belgische Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) legt in artikel 2:56 een centrale maatstaf vast: een bestuurder is aansprakelijk voor fouten in de uitoefening van zijn opdracht, maar voor beleidsbeslissingen geldt een beoordelingsmarge. Aansprakelijkheid ontstaat in beginsel wanneer de beslissing, handeling of gedraging kennelijk buiten de marge valt waarbinnen normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurders in dezelfde omstandigheden redelijkerwijze van mening kunnen verschillen.
De zorgplicht is daarmee een belangrijk onderdeel van corporate governance, risicobeheer en compliance. Zij is relevant voor bestuurders van onder meer BV’s, NV’s en VZW’s, maar ook voor aandeelhouders, toezichthouders, HR-verantwoordelijken en andere personen die betrokken zijn bij het bestuur van een organisatie.
Juridische kern
Een bestuurder is niet aansprakelijk omdat een zakelijke beslissing achteraf verkeerd blijkt te zijn. De kernvraag is of de bestuurder heeft gehandeld binnen de beoordelingsmarge van een normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurder die zich in dezelfde omstandigheden bevindt.
Artikel 2:56 WVV koppelt bestuurdersaansprakelijkheid aan fouten in de uitoefening van het bestuursmandaat en hanteert daarbij uitdrukkelijk een beoordelingsmarge. Bij wettelijke of statutaire overtredingen gelden daarnaast specifieke aansprakelijkheidsregels.
1. Inleiding
Besturen betekent beslissingen nemen onder omstandigheden waarin volledige zekerheid meestal ontbreekt. Een bestuurder moet investeringen beoordelen, financiële risico’s inschatten, personeel en organisatie aansturen, wettelijke verplichtingen naleven en rekening houden met de belangen van de rechtspersoon en, afhankelijk van de situatie, derden.
Dat betekent niet dat een bestuurder garant staat voor het succes van iedere beslissing. Ondernemen houdt noodzakelijkerwijs risico’s in. Het recht probeert daarom een evenwicht te vinden tussen enerzijds voldoende ruimte voor ondernemerschap en anderzijds bescherming tegen onzorgvuldig of onrechtmatig bestuur.
De zorgplicht van bestuurders vormt binnen dat evenwicht een fundamenteel criterium. De juridische beoordeling vindt niet uitsluitend plaats op basis van de vraag of een beslissing achteraf succesvol was. Van belang is vooral hoe de bestuurder tot die beslissing is gekomen, welke informatie beschikbaar was, welke risico’s redelijkerwijze voorzienbaar waren en welke maatregelen werden genomen om schade te voorkomen of te beperken.
2. Juridisch kader
2.1 Het Wetboek van vennootschappen en verenigingen
Het belangrijkste wettelijke aanknopingspunt is artikel 2:56 WVV.
Deze bepaling stelt dat personen die onder artikel 2:51 WVV vallen en andere personen die ten aanzien van de rechtspersoon werkelijke bestuursbevoegdheid hebben of hebben gehad, aansprakelijk kunnen zijn tegenover de rechtspersoon voor fouten begaan in de uitoefening van hun opdracht. Onder voorwaarden kan die aansprakelijkheid ook tegenover derden gelden.
Het WVV formuleert daarbij een bijzondere beoordelingsmaatstaf. Niet iedere vergissing of verkeerde zakelijke inschatting leidt tot aansprakelijkheid. De beslissing moet zich kennelijk buiten de marge bevinden waarbinnen normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurders in dezelfde omstandigheden redelijkerwijze van mening kunnen verschillen.
Dat criterium beschermt de bestuurlijke beoordelingsvrijheid.
Belangrijke elementen zijn:
- de hoedanigheid van bestuurder of feitelijke bestuurder;
- een fout in de uitoefening van de bestuursopdracht;
- schade;
- een oorzakelijk verband tussen fout en schade;
- de concrete omstandigheden waarin de bestuurder moest handelen.
Daarnaast kan een bestuurder aansprakelijk zijn wegens schending van wettelijke of statutaire bepalingen.
Artikel 2:56 WVV bepaalt bovendien dat leden van een collegiaal bestuursorgaan in bepaalde gevallen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor beslissingen of nalatigheden van het college. Een bestuurder die niet aan de fout heeft deelgenomen, kan zich onder de wettelijke voorwaarden van aansprakelijkheid bevrijden door de fout te melden aan de andere leden en, waar vereist, de melding en bespreking in de notulen te laten opnemen.
2.2 Beperking van de aansprakelijkheid
Het WVV bevat ook een wettelijke beperking van de bestuurdersaansprakelijkheid in artikel 2:57 WVV.
De bedragen variëren volgens onder meer de omvang van de rechtspersoon en kunnen oplopen van 125.000 euro tot 12 miljoen euro per feit of geheel van feiten dat aanleiding geeft tot aansprakelijkheid.
Die beperking is echter niet absoluut.
Zo geldt zij onder meer niet bij:
- een lichte fout die eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt;
- een zware fout;
- bedrieglijk opzet;
- het oogmerk om schade te veroorzaken;
- bepaalde specifieke wettelijke aansprakelijkheden.
Het aansprakelijkheidsplafond mag daarom niet worden opgevat als een algemene bescherming tegen iedere vorm van bestuurdersaansprakelijkheid.
2.3 Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek
Sinds de invoering van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek inzake buitencontractuele aansprakelijkheid bestaat daarnaast een algemeen kader voor buitencontractuele aansprakelijkheid.
Artikel 6.5 bepaalt dat eenieder aansprakelijk is voor schade die hij door zijn fout aan een ander veroorzaakt. Artikel 6.6 definieert een fout onder meer als de schending van een wettelijke regel of van de algemene zorgvuldigheidsnorm. Die norm wordt beoordeeld aan de hand van het gedrag van een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden.
Bij de beoordeling kunnen onder meer worden betrokken:
- redelijkerwijze voorzienbare gevolgen;
- de aard en omvang van het risico;
- de maatregelen die nodig waren om schade te voorkomen;
- de stand van de techniek en wetenschappelijke kennis;
- goed vakmanschap;
- goede beroepspraktijken;
- beginselen van goed bestuur en goede organisatie.
Dat laatste element is bijzonder relevant voor bestuurders. Het bevestigt dat behoorlijk bestuur en organisatie niet uitsluitend managementbegrippen zijn, maar ook juridisch relevant kunnen zijn bij de beoordeling van een fout.
2.4 Bijzondere zorgplicht bij financiële moeilijkheden
De zorgplicht wordt bijzonder zichtbaar wanneer een onderneming financieel in moeilijkheden verkeert.
Artikel XX.227 WER maakt het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om bestuurders persoonlijk aansprakelijk te stellen voor het geheel of een deel van het faillissementstekort wanneer zij wisten of behoorden te weten dat er kennelijk geen redelijk vooruitzicht meer bestond om de onderneming of haar activiteiten te behouden en een faillissement te vermijden, en vervolgens niet handelden zoals een normaal voorzichtig en zorgvuldig bestuurder zou hebben gehandeld.
De bestuurder moet in dergelijke omstandigheden dus niet alleen naar het verleden kijken, maar ook tijdig reageren op ernstige financiële signalen.
2.5 Europese regelgeving
De Europese regelgeving bevat geen algemene, uniforme Europese bestuurderszorgplicht die de Belgische regeling volledig vervangt. Wel wordt het kader rond corporate governance en due diligence steeds belangrijker.
Een relevant voorbeeld is de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD), Richtlijn (EU) 2024/1760, die ondernemingen onder haar toepassingsvoorwaarden verplichtingen oplegt met betrekking tot daadwerkelijke en potentiële negatieve effecten op mensenrechten en milieu binnen de eigen activiteiten, dochterondernemingen en bepaalde activiteitenketens. De richtlijn is inmiddels gewijzigd, onder meer door Richtlijn (EU) 2026/470.
Voor bestuurders betekent deze ontwikkeling dat governance steeds meer wordt verbonden met:
- compliance;
- risico-identificatie;
- mensenrechten;
- milieueffecten;
- interne controle;
- documentatie en toezicht.
De precieze toepasselijkheid moet steeds worden beoordeeld aan de hand van de omvang, activiteiten en structuur van de betrokken onderneming.
3. Analyse van de rechtspositie
3.1 Geen resultaatsverbintenis
Een bestuurder heeft in beginsel geen resultaatsverbintenis om de onderneming winstgevend te maken.
Een investering kan bijvoorbeeld zorgvuldig zijn voorbereid en toch mislukken. Een strategische beslissing kan achteraf onjuist blijken. Dat betekent niet automatisch dat sprake is van een bestuursfout.
De juridische toets is eerder:
Was de beslissing, gegeven de omstandigheden op het moment waarop zij werd genomen, verdedigbaar voor een normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurder?
Dit voorkomt dat de rechter met kennis van de afloop eenvoudigweg de beslissing achteraf opnieuw beoordeelt.
3.2 De informatiepositie van de bestuurder
Een belangrijk onderdeel van de zorgplicht is de informatiepositie.
Een bestuurder kan moeilijk worden verweten dat hij een risico niet heeft voorzien wanneer dat risico redelijkerwijze niet kenbaar was.
Anders wordt het wanneer:
- belangrijke waarschuwingen beschikbaar waren;
- financiële cijfers duidelijke problemen vertoonden;
- een complianceprobleem herhaaldelijk werd gemeld;
- deskundigen advies hadden gegeven;
- interne controlemechanismen ernstige tekortkomingen vertoonden;
- de bestuurder bewust geen informatie heeft ingewonnen.
De zorgplicht kan daarom ook een informatieplicht impliceren: een bestuurder moet zich voldoende informeren om op verantwoorde wijze zijn bestuursfunctie uit te oefenen.
3.3 De zorgplicht is contextafhankelijk
De norm van een zorgvuldig bestuurder is geen mathematische norm.
Wat redelijk is, hangt onder meer af van:
- de grootte van de onderneming;
- de financiële situatie;
- de sector;
- de aard van de beslissing;
- de beschikbare informatie;
- de deskundigheid van de bestuurder;
- de urgentie van de situatie;
- de omvang van het potentiële risico.
Van een bestuurder van een kleine onderneming kan bijvoorbeeld niet altijd dezelfde organisatorische infrastructuur worden verwacht als van een bestuurder van een grote gereguleerde onderneming.
Dat betekent echter niet dat kleinere ondernemingen geen compliance- of governanceverantwoordelijkheden hebben.
3.4 Collegiaal bestuur
Bij een raad van bestuur is de zorgplicht niet uitsluitend individueel.
Het bestuur handelt als collegiaal orgaan en bestuurders kunnen onder omstandigheden gezamenlijk aansprakelijk worden gehouden voor beslissingen of nalatigheden van het bestuursorgaan. Artikel 2:56 WVV bevat hiervoor specifieke regels.
Dit maakt actieve deelname aan bestuursvergaderingen belangrijk.
Een bestuurder die fundamentele bezwaren heeft tegen een beslissing, doet er juridisch verstandig aan deze bezwaren:
- duidelijk te formuleren;
- aan het bestuursorgaan mee te delen;
- te vragen dat ze in de notulen worden opgenomen;
- indien nodig tegen de beslissing te stemmen.
Artikel 2:56 WVV voorziet expliciet in een meldingsmechanisme voor bepaalde fouten waaraan een bestuurder geen deel heeft gehad.
4. Relevante rechtspraak
4.1 Het uitgangspunt: geen rechterlijke beoordeling van ondernemingsbeslissingen achteraf
De rechtspraak rond bestuurdersaansprakelijkheid sluit aan bij het uitgangspunt dat een rechter niet eenvoudigweg in de plaats van het bestuur moet treden om te bepalen welke zakelijke beslissing het beste was.
De beoordelingsmarge die artikel 2:56 WVV uitdrukkelijk vastlegt, weerspiegelt dit beginsel.
De vraag is daarom niet:
“Was dit achteraf gezien de beste beslissing?”
maar:
“Was deze beslissing op het relevante tijdstip nog verdedigbaar binnen de marge van wat normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurders redelijkerwijze konden beslissen?”
Deze benadering wordt in de rechtsleer doorgaans verbonden met de bestuurlijke beoordelingsruimte of business judgment rule.
4.2 Rechtspraak over ondernemingen in moeilijkheden
Een bijzonder toepassingsgebied betreft bestuurders die een onderneming blijven voortzetten wanneer duidelijk wordt dat een faillissement dreigt.
Artikel XX.227 WER koppelt aansprakelijkheid onder meer aan het moment waarop de bestuurder wist of behoorde te weten dat er kennelijk geen redelijk vooruitzicht meer was om de onderneming of haar activiteiten te behouden en een faillissement te vermijden. Vervolgens wordt onderzocht of de bestuurder heeft gehandeld zoals een normaal voorzichtig en zorgvuldig bestuurder in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld.
In de rechtspraak wordt daarbij bijvoorbeeld gekeken naar het tijdig nemen van maatregelen, het beperken van verliezen en het vermijden van een verdere benadeling van schuldeisers.
Een arrest van het Hof van Cassatie van 14 februari 2025 wordt in de juridische literatuur in verband gebracht met deze problematiek van bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement en het criterium van de normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurder.
Juridische betekenis
De belangrijkste betekenis hiervan is dat de zorgplicht dynamisch is. Naarmate de omstandigheden ernstiger worden, kan ook van bestuurders worden verwacht dat zij hun gedrag aanpassen.
Een bestuurder die aanvankelijk verantwoord onderneemt, kan dus later alsnog een aansprakelijkheidsrisico creëren wanneer hij ernstige waarschuwingstekens negeert.
4.3 Bestuurders en strafrechtelijke verantwoordelijkheid
Ook het strafrecht kan een rol spelen wanneer nalatigheid of gebrek aan voorzorg samenvalt met een strafbare tekortkoming.
Het Hof van Cassatie heeft bijvoorbeeld geoordeeld dat een aan een rechtspersoon verweten verzuim onder omstandigheden kan worden toegerekend aan de doelbewuste nalatigheid van een afgevaardigd bestuurder.
Dit illustreert dat de bestuursfunctie niet alleen vanuit het vennootschapsrecht moet worden bekeken. Afhankelijk van de concrete feiten kunnen ook strafrechtelijke, fiscale, sociale of milieurechtelijke verplichtingen relevant worden.
5. Praktische gevolgen
Voor bestuurders
Een bestuurder doet er goed aan om beslissingen niet alleen te nemen, maar ook te kunnen verantwoorden.
Praktisch betekent dit onder meer:
- belangrijke beslissingen documenteren;
- relevante financiële en operationele informatie verzamelen;
- deskundig advies inwinnen wanneer nodig;
- risico’s expliciet bespreken;
- complianceverplichtingen opvolgen;
- waarschuwingen niet negeren;
- belangenconflicten correct behandelen;
- belangrijke afwijkende standpunten laten notuleren;
- periodiek toezicht houden op de uitvoering van bestuursbeslissingen.
Een goed bestuursdossier kan later aantonen dat een beslissing zorgvuldig en op basis van beschikbare informatie werd genomen.
Voor ondernemingen
De zorgplicht moet worden ondersteund door een behoorlijke governance-infrastructuur.
Daarbij kunnen onder meer belangrijk zijn:
- duidelijke bevoegdheidsverdelingen;
- interne controles;
- financiële rapportering;
- complianceprocedures;
- risicoregisters;
- whistleblowingprocedures;
- interne audit;
- periodieke rapportage aan het bestuursorgaan;
- correcte notulen van bestuursvergaderingen.
Governance is daarmee niet uitsluitend een administratieve verplichting. Het kan ook functioneren als preventief aansprakelijkheidsmechanisme.
Voor HR en compliance
Ook HR- en complianceprocessen kunnen onderdeel worden van de bestuursverantwoordelijkheid.
Denk bijvoorbeeld aan:
- arbeidsrechtelijke compliance;
- welzijn op het werk;
- discriminatie- en gelijkebehandelingsregels;
- GDPR;
- personeelsbeleid;
- loonadministratie;
- sociale wetgeving;
- meldingen van werknemers;
- interne onderzoeken.
Wanneer het bestuur structureel wordt geïnformeerd over ernstige problemen en vervolgens geen passende maatregelen neemt, kan dat relevant worden voor de beoordeling van de zorgvuldigheid van het bestuur.
6. Juridische beoordeling
De zorgplicht van bestuurders kan worden beschouwd als een scharnierpunt tussen ondernemingsvrijheid en verantwoord bestuur.
Enerzijds moet het recht bestuurders voldoende ruimte geven om risico’s te nemen. Zonder dergelijke ruimte zou iedere mislukte investering achteraf kunnen worden aangemerkt als een fout. Dat zou leiden tot defensief bestuur en een ongewenste verschuiving van ondernemingsrisico naar bestuurders.
Anderzijds kan bestuurlijke beoordelingsvrijheid niet betekenen dat bestuurders vrijgesteld zijn van zorgvuldigheid. Het WVV trekt daarom een grens bij beslissingen, handelingen of gedragingen die kennelijk buiten de redelijke beoordelingsmarge vallen.
Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek versterkt dit bredere perspectief. De algemene zorgvuldigheidsnorm houdt rekening met voorzienbare gevolgen, risico’s, technische kennis, beroepspraktijken en beginselen van goed bestuur en organisatie.
Daaruit ontstaat een gelaagd aansprakelijkheidsmodel:
bestuursbevoegdheid → informatie → risicoanalyse → besluitvorming → toezicht → bijsturing.
Een tekortkoming kan zich op ieder van deze niveaus voordoen.
Bijzonder belangrijk is daarom het onderscheid tussen een verkeerde beslissing en een onzorgvuldig genomen beslissing. Het eerste is niet noodzakelijk een juridische fout; het tweede kan dat wel zijn.
De moderne bestuurderszorgplicht moet bovendien worden bekeken tegen de achtergrond van een steeds complexer compliance-landschap. Bestuurders worden geconfronteerd met verplichtingen inzake onder meer duurzaamheid, mensenrechten, privacy, arbeidsrecht, financiële rapportering en interne controle. Europese ontwikkelingen zoals de CSDDD illustreren deze verbreding van corporate governance naar due diligence en risicobeheer.
De zorgplicht is daardoor geëvolueerd van een relatief abstract beginsel naar een praktisch governancecriterium.
7. Conclusie
De zorgplicht van bestuurders betekent niet dat bestuurders aansprakelijk zijn voor iedere beslissing die achteraf verkeerd uitpakt. Het Belgische recht erkent uitdrukkelijk een beoordelingsmarge waarbinnen bestuurders zakelijke en strategische keuzes mogen maken.
De grens ligt waar een beslissing, handeling of nalatigheid kennelijk buiten de marge van een normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurder in dezelfde omstandigheden valt. Artikel 2:56 WVV vormt hierbij de centrale wettelijke bepaling.
Voor bestuurders is daarom niet alleen het eindresultaat van belang, maar vooral het besluitvormingsproces. Een bestuurder die zich voldoende informeert, risico’s analyseert, deskundig advies gebruikt, wettelijke verplichtingen respecteert, toezicht houdt en ernstige waarschuwingen tijdig opvolgt, versterkt zijn juridische positie aanzienlijk.
Voor ondernemingen betekent dit dat goed bestuur, compliance, interne controle en correcte verslaggeving niet los van bestuurdersaansprakelijkheid kunnen worden gezien. Zorgvuldig bestuur begint bij aantoonbaar zorgvuldige besluitvorming.
Bronnen en rechtsgrond
Belgische wetgeving
- Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV), in het bijzonder:
- art. 2:51 WVV — behoorlijke vervulling van de taak;
- art. 2:56 WVV — bestuurdersaansprakelijkheid;
- art. 2:57 WVV — beperking van aansprakelijkheid;
- art. 2:58 WVV — beperking en vrijwaring van aansprakelijkheid.
- Wetboek van economisch recht, Boek XX:
- art. XX.225 e.v.;
- art. XX.227 WER — aansprakelijkheid bij faillissement onder bepaalde voorwaarden.
- Burgerlijk Wetboek, Boek 6 — Buitencontractuele aansprakelijkheid:
- art. 6.5 — aansprakelijkheid voor eigen fout;
- art. 6.6 — algemene zorgvuldigheidsnorm;
- art. 6.3 — verhouding tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid.
Belgisch Staatsblad
- Wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
- Wet van 7 februari 2024 houdende Boek 6 “Buitencontractuele aansprakelijkheid” van het Burgerlijk Wetboek.
Rechtspraak
- Hof van Cassatie, 14 februari 2025, inzake bestuurdersaansprakelijkheid in de context van insolventie.
- Hof van Cassatie, 4 mei 2022, inzake de verhouding tussen rechtspersoon en bestuurder bij een aan de rechtspersoon verweten verzuim.
Europese regelgeving
- Richtlijn (EU) 2024/1760 inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (CSDDD), in de actuele geconsolideerde versie, gewijzigd in 2025 en 2026.
- Richtlijn (EU) 2025/794, betreffende uitstel/wijziging van bepaalde toepassingsdata voor duurzaamheidsrapportage en due-diligenceverplichtingen.


